Grafmonumenten

See this text in

 

Inleiding

Inheemse grafrituelen

In de andere thema’s op deze website is te lezen hoe het dagelijks leven van de mensen er in de Romeinse tijd en vlak daarvoor uit zag. Leven en dood zijn echter onlosmakelijk met elkaar verbonden. De tijd en de cultuur waarin men leefde bepaalden in grote mate de manier waarop men met de dood omging. Iedere cultuur behandelt de doden op een eigen manier en men heeft bepaalde ideeën over de dood en eventueel over een leven na de dood. Die ideeën veranderen door de tijd heen. Tijdens de opgraving van een grafveld kan men aan de hand van de graven zien hoe de levenden dachten. Ze vertellen uit welke periode ze stammen en uit welke cultuur de mensen kwamen.

Inheemse graven

Voordat de Romeinen naar de Lage Landen kwamen, cremeerde men de doden en begroef de as in een kleine kuil op een grafveld. De graven die worden gevonden zijn klein en simpel. Soms werd de as eerst in een urn gedaan, maar vaak zal de as in een doek zijn gewikkeld of in een andere vergankelijke verpakking. Er waren verschillende manieren van cremeren en begraven, die afwisselend voorkwamen en ook in de Romeinse tijd werden gebruikt. Soms werden de resten van de dode heel zorgvuldig uitgezocht uit de resten van de brandstapel. Vaak vinden we echter ook houtskool en andere resten van het crematieritueel terug in een graf, wat betekent dat de resten van de brandstapel niet volledig werden uitgezocht. Een andere manier was om de brandstapel op te richten boven het al gegraven graf. Zo vielen de resten van de brandstapel in het graf en kon het meteen worden afgedekt.


39 brandstapelgraf  40 brandkuil graf


Romeinse grafrituelen

Een leven na de dood

De Romeinen besteedden veel aandacht aan de dood. Men vond het belangrijk om de herinnering aan de doden levend te houden en geloofde dat een overledene alleen kon voortleven na de dood als men aan hem of haar bleef denken. Daarom werd op het graf de naam van de dode vermeld, vaak met iets persoonlijks over zijn of haar leven. Gedurende de Romeinse tijd werd het gebruikelijk om de dode zo heldhaftig mogelijk voor te stellen, zodat hij na de dood ook als een held kon leven. In ieder geval één keer per jaar kwamen de nabestaanden bij het graf bij elkaar om de herinnering aan de dode hoog te houden en om samen met de overledene het dodenmaal te gebruiken.

De onderwereld

Eén van de meest voorkomende geloofsovertuigingen was die van een onderwereld of dodenwereld, waarvoor de dode eerst een lange reis moest afleggen door het donker. 41 GrafOm het hiernamaals te bereiken moest de dode eerst de dodenrivier oversteken in een veerboot. Als bij een opgraving een lampje en een munt worden gevonden in een graf, is dat dan ook een duidelijke aanwijzing voor archeologen dat de dode en zijn familie geloofden in de ‘Romeinse versie’ van het hiernamaals: een dode moest geld bij zich hebben om de overtocht over de dodenrivier te kunnen betalen en licht om de donkere weg af te leggen. Daarnaast werd in de graven soms voedsel en drank meegegeven voor de lange reis. Dat weten we omdat we borden en bekers vinden in de graven en soms botten van het vlees dat hem of haar mee werd gegeven.

Een graf voor de overledene

42 grafveld TielDe meeste mensen in de Romeinse tijd werden vrij eenvoudig begraven. Het merendeel van de graven leek dan ook heel veel op de graven uit de Late IJzertijd: een kleine kuil, waarin de as van de dode, vaak samen met wat bijgiften, werd begraven. Uit opgravingen weten we dat de meeste graven zichtbaar moeten zijn geweest bovengronds, omdat de graven vrijwel nooit op exact dezelfde plek liggen. In sommige delen van Nederland zijn greppeltjes rondom de graven gevonden, die er op lijken te duiden dat er een heuveltje boven het graf was opgeworpen. Op andere plaatsen vinden we alleen maar een los hoopje as of een urn terug in een opgraving, zonder dat er sporen zijn van een greppel of een heuveltje. Wellicht gebruikte men voor de markering van het graf een houten grafteken, waarvan we nu niets meer terug vinden.

Een huis voor altijd

Sommige Romeinen geloofden dat je als dode altijd in je graf zou blijven. Het moest daarom van alle gemakken voorzien zijn. In dat geval verwees de vorm van het graf naar een huis of een kamer. In Nederland vinden we deze gedachtegang terug in de unieke ‘sarcofaag van Simpelveld’. Deze askist (want de dode was gecremeerd) van een rijke dame heeft aan de binnenzijde van de kist reliëfs, die de dode laten zien met haar bezittingen. Onderzoek aan de crematieresten in de kist wezen uit dat de overledene inderdaad een vrouw was, die bij haar dood tussen de 24 en 40 jaar oud was. De dode ligt fraai gekleed op een sofa, temidden van haar huis, meubels en gebruiksvoorwerpen als kannen en serviesgoed. In haar graf kreeg ze ook nog veel ‘echte’ voorwerpen mee. Zo hoefde het haar in de dood aan niets te ontbreken. Ze is waarschijnlijk ergens tussen 160 en 180 na Chr. overleden.
43 Sarcofaag Simpelveld  43 sarcofaag Simpelveld

Grafkamers

44 graf Bataafse ruiterEen ander soort ‘huis voor altijd’ vormen de zogenaamde grafkamers. De in Nederland gevonden grafkamers laten een mengeling zien van inheemse en Romeinse grafrituelen. Het idee van een grafkamer kan Romeins genoemd worden, maar ze hebben meestal heel veel (luxe) bijgaven, wat een aanwijzing is dat het hier gaat om rijke inheemse mensen, die maar deels de Romeinse gebruiken en ideeën hadden overgenomen. Traditioneel gaven de Romeinen namelijk niet meer mee dan een olielampje en een muntje voor de reis naar de dodenwereld. Onder de bijgaven bevonden zich vaak voorwerpen voor de persoonlijke verzorging en een servies om het dodenmaal te kunnen nuttigen.

Een grafkamer in Bocholtz

45 graf BocholtzDe meest recente vondst van een grafkamer is gedaan in het Limburgse Bocholtz. Het is waarschijnlijk het graf van één van de villabewoners uit de omgeving. Op basis van de vele grafgiften stamt het graf uit het laatste kwart van de tweede eeuw of het begin van de derde eeuw na Chr. De dode was ergens tussen de 20 en 34 jaar oud. Aan de dode zijn onder andere jachtattributen meegegeven, waardoor men denkt dat het om het graf van een man gaat. De stenen askist stond in een rechthoekige grafkamer, die betimmerd was met hout. Bovenop het plafond van de grafkamer was een laag van kalksteenblokken aangebracht, vermoedelijk als afweer tegen grafrovers. Het is niet bekend hoe het graf er bovengronds heeft uitgezien.


Wat voor grafmonumenten waren er?

Arm en rijk

De gewone graven van de doorsnee bevolking zullen hooguit een houten plank of een ander simpel grafteken hebben gehad. De rijke bovenlaag kon zich daarentegen een gebeeldhouwd monument veroorloven. Die gewoonte werd geïntroduceerd door Romeinse soldaten en veteranen, die hier overleden. De monumentale graftekens werden vaak al besteld en gemaakt tijdens het leven. Zo kon de opdrachtgever precies bepalen hoe men hem zich moest herinneren na de dood. Later werd het gebruik om grafmonumenten te plaatsen overgenomen door de nieuwe rijke bovenlaag van de burgerlijke bevolking, die echter wel een eigen draai aan de gebruiken gaf.

Soldaten en veteranen

46 Grafsteen DodewaardDe eenvoudigste vorm is de grafsteen (of stèle), voorzien van een opschrift of ook van een gebeeldhouwde voorstelling. Grafstenen zijn vooral in de buurt van de legerkampen langs de Rijn gevonden en dateren uit de 1e eeuw en het begin van de 2e eeuw. Waar ze in het achterland worden gevonden, blijken ze meestal opgericht te zijn voor veteranen, die op het platteland van hun pensioen genoten. Zowel inheemse veteranen uit de hulptroepen van het leger als veteranen uit een verder weg gelegen geboorteplaats behoorden na hun afzwaaien tot de lokale elite. Ze hadden het Romeinse burgerrecht gekregen, wat hun een hoge maatschappelijke positie gaf. Zij konden openbare functies bekleden in nabije steden.

Beeldhouwers uit de grote stad

47 Vogelpijler friesAl het beeldhouwwerk (ook van de kleine stenen) werd gedaan door (rondreizende) ateliers, waar vaklieden de steen bewerkten. Belangrijke ateliers in de omgeving van Nederland waren te vinden bij de grote legerkampen en steden in het Rijnland: Keulen en Mainz. De eerste beeldhouwers waren vermoedelijk meegekomen met het leger en oorspronkelijk afkomstig uit het noorden van Italië en Zuid-Frankrijk. In de eerste eeuw werkte men nog voornamelijk in de echte Romeinse stijl. Gedurende de tweede eeuw ontwikkelde zich vooral langs de Moezel een regionale stijl. De grafmonumenten waren oorspronkelijk kleurrijk beschilderd. De afgebeelde personen werden daardoor veel levendiger dan dat we ons nu kunnen voorstellen aan de hand van de kale en gehavende beelden die opgegraven worden.

Monumenten uit de Maas

Uit de Maas bij Maastricht zijn veel steenblokken uit de Romeinse tijd naar boven gehaald. Veel daarvan vertonen beeldhouwwerk. Ze zijn afkomstig van grafmonumenten uit de eerste tot en met de derde eeuw na Chr. Aan het begin van de vierde eeuw zijn ze gebruikt als stortstenen bij de bouw van de brug over de Maas, al waren ze toen wellicht ook al afkomstig van een gesloopt bouwwerk waarin ze waren verwerkt. We weten dus niet precies waar de grafmonumenten gestaan hebben. Door de stenen te vergelijken met beeldhouwwerken uit andere gebieden is te reconstrueren hoe de grafmonumenten er uit moeten hebben gezien. Het blijken voornamelijk fragmenten te zijn van graftorens en grafpijlers, die volgens een vrij standaard schema waren opgebouwd. Beide waren torenachtige monumenten, die vaak tien tot vijftien meter hoog waren. Het verschil tussen de twee typen monumenten wordt voornamelijk bepaald door hun bouw en uiterlijk. De eerste-eeuwse graftorens waren echte bouwwerken, met een holle ruimte binnenin en weinig beeldhouwwerk. De tweede- en derde-eeuwse grafpijlers waren daarentegen massief en in vergelijking met hun voorgangers overladen met gebeeldhouwde versiering. De opdrachtgevers voor de graftorens waren meestal afkomstig uit het leger, vandaar ook strijdscènes en wapenvoorstellingen op de monumenten. De eigenaren van de latere grafpijlers behoorden tot de economische bovenlaag van de geromaniseerde bevolking en hadden geen relatie meer met het leger.

Graftorens

48 reconstructie graftorens NijmegenDe graftorens waren echte blikvangers langs de wegen. Ze konden wel tien tot vijftien meter hoog zijn. Centraal op de toren, in verschillende nissen, stonden levensgrote portretbeelden van de overledenen. In Maastricht zijn fragmenten gevonden van vier graftorens uit het midden van de eerste eeuw. Vier andere stammen waarschijnlijk van net na de Bataafse Opstand (69/70 na Chr). De opschriften, scènes en wapenvoorstellingen op de graftorens verwijzen naar de belangrijke functies in leger en maatschappij die de overledene bekleedde. De graftorens werden, gezien hun stijl en de voorstellingen, mogelijk besteld bij de ateliers van Keulen en Mainz. Er zijn echter ook elementen uit het Zuiden van Frankrijk herkenbaar, waardoor eerder aan rondtrekkende ateliers gedacht kan worden.

Graftorens werden vooral in de eerste eeuw gebouwd voor oudgedienden van het leger. Een aantal veteranen is na hun vertrek uit het leger neergestreken in het zuiden van Limburg, waar ze met hun afscheidspremie een boerenbedrijf konden opbouwen. In deze zeer vruchtbare streek vormden ze een rijke elite. De graftorens stonden waarschijnlijk op hun eigen land, langs de doorgaande wegen. Maar ook zocht men andere plekken waar veel mensen langs kwamen, bijvoorbeeld in de buurt van een wat groter centrum. Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist nabij het plattelandscentrum Maastricht, waar de grote weg vanuit Keulen de Maas kruiste, zoveel fragmenten van graftorens zijn gevonden.

Grafpijlers

49 grafpijlerDe grafpijlers waren feitelijk de opvolgers van de graftorens. Het waren torenachtige bouwwerken, die in tegenstelling tot de graftorens massief waren en geen dragende architectuurdelen kenden. Ook zij waren gemiddeld tien tot vijftien meter hoog, al zijn er zowel kleinere als grotere exemplaren bekend. De bloeiperiode van de grafpijler is de periode tussen 150 en 250 na Chr. De pijlers werden gebouwd door grootgrondbezitters, handelaren en andere rijke lieden. Zij waren de ‘nouveau riche’ van de Romeinse provincies. Op alle vier de zijden van de pijler waren voorstellingen aangebracht die het dagelijks leven lieten zien van de overledene. De voorstellingen kunnen ons veel informatie geven over het leven van de rijke burgers en het economische leven in de Romeinse provincie. Zo zien we op reliëfs uit Maastricht een unieke handelsscène afgebeeld, waarop aan de linkerkant twee mannen amforen aandragen en rechts een figuur die ze in ontvangst neemt. De scène speelt zich af tegen de achtergrond van een gebouw met zuilen en frontons, wellicht de lokale markthal.

50 handelsscene

Eén van de Maastrichtse grafpijlers, de zogenaamde ‘Vogel-pijler’, kon vrijwel geheel worden gereconstrueerd. De pijler dateert uit 170-190 na Chr. en is genoemd naar de verschillende vogels in de versiering van de hoeklijsten. De stijl van het beeldhouwwerk komt overeen met voorbeelden uit het Duitse Trier en omgeving. Het is een voorbeeld van de grote verspreiding van de lokale stijl die zich langs de Moezel ontwikkelde.

Andere type grafmonumenten

51 Tumulus KoninksemAls reiziger kwam men veel meer soorten grafmonumenten tegen langs de Romeinse wegen. Niet alleen de graftorens en –pijlers sprongen in het oog. Naast de grafstenen, die vooral in de eerste eeuw populair waren, werden er ook (monumentale) grafaltaren en monumentale grafstenen opgericht. Daarnaast vormden bijvoorbeeld in het gebied rondom Tongeren de metershoge grafheuvels, de tumuli, behoorlijke blikvangers. Monumentale grafmonumenten stonden vaak in een zogenaamde graftuin. Dit was een ommuurde ruimte of perk, waarbinnen de leden van de familia werden begraven. In de muren konden reliëfs en inscripties zijn ingemetseld die de aandacht van de reiziger trokken. De bijzettingen (de echte graven) lagen in de graftuin, soms ook net daarbuiten, en maar zelden in de monumenten. Vanaf de derde eeuw komt ook het type van de vrij opgestelde, gebeeldhouwde sarcofaag geleidelijk aan in zwang.

  52 graftuin Belfort

Waar werden de grote grafmonumenten opgericht?

Bouwmateriaal

In Nederland is natuursteen schaars. Bouwsteen werd vaak hergebruikt. Veel Romeinse architectuur is tot in de fundamenten gesloopt en als bouwmateriaal opgegaan in Middeleeuwse kerken, kastelen, huizen en bruggen. Kalksteen, oorspronkelijk afkomstig van de Boven-Maas en de Boven-Moezel en hét materiaal voor Romeins beeldhouwwerk, kon tot kalk worden verbrand en worden gebruikt als grondstof voor mortel. Het aantal vondsten van kalkstenen grafmonumenten is om die redenen zeer beperkt. Overigens ook monumenten van zandsteen, veel toegepast vanaf het midden van de tweede eeuw, worden weinig teruggevonden.

Steden

Hoewel er bij de legerplaatsen langs de Rijn wel fragmenten worden gevonden van kleinere grafmonumenten, lijken de grote graftorens en –pijlers zich voornamelijk te beperken tot twee gebieden: de steden en het vruchtbare zuiden van Limburg.
De rijke handelaren en bestuurders uit de grote steden lieten graag zien hoe belangrijk ze waren. Zeker na de dood moest men zich herinneren hoe groots en belangrijk ze waren geweest. Nederland kende (in juridische zin) maar twee steden in de Romeinse tijd: Voorburg en Nijmegen. In Nijmegen zijn in de afgelopen eeuwen behoorlijk wat grafstenen en enkele fragmenten van monumentale graftekens gevonden. Uit Voorburg is nagenoeg niets bekend.

Het rijke zuiden

kaart 6 detail.De meeste grafmonumenten kennen we uit het zuiden van Limburg; een regio die snel romaniseerde. Er lagen verschillende grotere centra zoals Heerlen, Maastricht en Aken. De civitas-hoofdstad Tongeren lag vlakbij en ook de provinciehoofdstad Keulen was niet ver weg. In deze vruchtbare streek is bovendien de grootste concentratie Romeinse villae (herenboerderijen) te vinden binnen het huidige Nederland. De villae waren in handen van veteranen en leden van de rijke inheemse elite, die snel romaniseerden. De grootgrondbezitters en de bewoners van de centra konden zich blijkbaar veel uiterlijk vertoon veroorloven.

Rijke villabewoners

Toch weten we uit de schaarse vondsten dat er ook elders in het huidige Nederland monumentale graftekens hebben bestaan, zoals in het rivierengebied. Deze zijn waarschijnlijk, net als in het Zuiden van Limburg, afkomstig van rijke villabewoners.

Samenvatting

Begrafenisrituelen

In de Romeinse tijd cremeerde men, net als in de IJzertijd, zijn doden en begroef de as in een kuil. In de Romeinse tijd bepaalde het idee van een leven na de dood het begrafenisritueel. Men geloofde dat een overledene alleen kon voortleven na de dood als men aan hem of haar bleef denken. Daarom werd op het graf de naam van de dode vermeld, vaak met iets persoonlijks over zijn of haar leven. De rijkeren konden zich zelfs een gebeeldhouwd grafmonument veroorloven. De grafmonumenten stonden bij voorkeur zo dicht mogelijk langs een belangrijke weg, waar de herinnering aan de overledene levend kon worden gehouden door de vele passanten.

Monumenten ter ere van de doden

De meest indrukwekkende grafmonumenten in Romeins Nederland waren de graftorens uit de eerste eeuw en de opvolgers hiervan, de tweede- en derde-eeuwse grafpijlers. Dit waren tien tot vijftien meter hoge torenachtige bouwwerken. De opschriften, scènes en wapenvoorstellingen op deze grafmonumenten verwijzen naar de belangrijke functies in leger en maatschappij die de overledene bekleedde.

Soldaten, burgers en boeren

Veteranen, maar ook soldaten die hier overleden tijdens hun diensttijd, brachten het idee van de grafmonumenten naar onze streken. De vondsten van grafmonumenten in het rivierengebied laten duidelijk een verband zien met de legerplaatsen langs de Rijn. In de steden en de plattelandscentra woonden daarnaast handelaren en rijke stadsbewoners, die zich het uiterlijk vertoon van een groot grafmonument konden veroorloven. De grootste concentratie grafmonumenten is te vinden in het Zuiden van Limburg. Hier kwamen vermoedelijk veel veteranen terecht, die voor hun afscheid van het leger geld of een stuk land kregen, waarmee ze een boerenbedrijf konden opstarten. In het vruchtbare gebied lagen vele herenboerderijen (niet alleen maar van veteranen) en plattelandscentra en het was dan ook een regio die snel romaniseerde. De veteranen namen het gebruik van de grafmonumenten mee naar de regio, maar het werd al snel overgenomen door de ‘nouveau riche’, die in de tweede en derde eeuw de rijke bovenlaag van de samenleving vormde.

Margje Vermeulen-Bekkering & Titus A.S.M. Panhuysen


 

Literatuur

Algemeen:

Es, W.A. van, 1981, De Romeinen in Nederland.

Grooth, M de en B. Mater, 1997, Een huis voor altijd. Maastricht

Inheemse grafrituelen:

Hiddink, H.A., 2003, Grafritueel in de Late IJzertijd en Romeinse tijd in het Maas-Demer-Schelde gebied. (ZAR 11) Amsterdam

Smits, E., 2006, Leven en sterven langs de Limes het fysisch-antropologisch onderzoek van vier grafveldpopulaties uit de noordelijke grenszone van Germania inferior in de Vroeg- en Midden-Romeinse tijd. Amsterdam

Grafkamers:

Groot, T. de, 2006, Resultaten van de opgraving van een Romeins tumulusgraf in Bocholtz (gem. Simpelveld). (RAM 127). Amersfoort

Grafmonumenten:

Panhuysen, Titus A.S.M., 1996, Romeins Maastricht en zijn beelden. Maaastricht/Assen

Panhuysen, Titus A.S.M., 2001, Mosae Traiectum / Maastricht; eine grabtypologische und ikonographische Fundgrube. In: Titus A.S.M . Panhuysen, Die Maastrichter Akten des 5. Internationalen Kolloquiums über das provinzialrömische Kunstschaffen, im Rahmen des CSIR : Typologie, Ikonographie und soziale Hintergründe der provinzialen Grabdenkmäler und Wege der ikonographischen Einwirkung - Maastricht 29. Mai bis 1. Juni 1997. Maastricht. 17-33

Links

Algemeen:
Archeologienet
Cultuurwijzer
Limes.nl 
Imperium Romanum (Duits)
Livius.org (Engels)