Archeologie in Tiel 3

See also: Archeologie in Tiel 5


De schepen

De beide beschoeiingen zijn voor een deel gemaakt van scheepshout. Het gaat om bodemfragmenten, bestaande uit een aantal planken en een deel van het staande werk, de kim. Deze zijn verbonden met spanten. De scheepsbodems leverden informatie over de constructie-techniek van boten en het waterdicht maken van de naden tussen de planken, het breeuwen.

Dit is belangrijke informatie, want over de scheepsbouw in onze regio tussen ca. 300-1000 n. Chr., is zo goed als niets bekend. Wel zijn er gegevens over de Vikingschepen uit Zuid-ScandinaviŽ en Denemarken, die dateren uit de 10de-12de eeuw, en de koggeschepen uit onze regio uit de 13de-15de eeuw. Verder is uit de tijd tussen 1000 en 1250 n. Chr. de zogenaamde 'Utrechtse boot' bekend: een grote uitgeholde boom met opgezette boorden. In Utrecht zijn tevens twee rivieraken van kort na het jaar 1000 gevonden. Ook in Deventer zijn de 10de- en 11de-eeuwse kadewerken die gemaakt zijn van scheepsdelen opgegraven. De twee Tielse scheepsfragmenten vertonen zowel overeenkomsten met de Utrechtse boten als met de Deventer scheepsdelen.


Rivieraken

rivieraak uit de 11de eeuw Een bijna complete rivieraak uit de 11de eeuw gevonden aan de Waterstraat te Utrecht in 1974.

De planken en spanten van beide scheepsonderdelen zijn van eikenhout. De planken zijn minstens 8 m lang. Bij de montage is gebruik gemaakt van pen-gat-verbindingen. Door de scheepshuid en het spant werd met een avegaar (Middeleeuwse lepelboor) een gat geboord waarin een ronde houten pen werd geslagen. De lengte van het oudste schip bedroeg maximaal 20 m, die van het jongste schip 25 m. Beide schepen hebben een vlakke bodem en een opstaande boord van mogelijk 1 m hoogte. De diepgang was vanwege de oppervlakte zeer klein. Dit soort rivieraken zijn speciaal gebouwd en bij uitstek geschikt voor het varen en manoeuvreren op ondiepe, langzaam stromende rivieren. Met de boten konden vee, goederen en karren met vracht worden vervoerd. Ook werden ze wel als veer gebruikt. De aken werden stroomopwaarts gejaagd, hetgeen wil zeggen dat de boot door middel van een lang touw vanaf de wal werden voortgetrokken. Voor het trekken over het jaagpad werden mensen, ossen of paarden gebruikt. Stroomafwaarts was het bijsturen met een roer voldoende, mogelijk werd dan een klein zeiltje bijgezet.

Dit scheepstechnisch gezien eenvoudige en praktische schip bleef tot ongeveer 1800 in Nederland in gebruik. In Polen wordt met dit soort aken tot op heden gevaren.

scheepshout eerste beschoeiing Het scheepshout van de eerste beschoeiing, de huidplanken en spanten zijn goed te zien.

Met behulp van het jaarring-onderzoek aan het hout is vast komen te staan dat het oudste schip in of kort na 980 is gebouwd. Het heeft slechts korte tijd gevaren, aangezien de palen van de beschoeiing rond 985 zijn aangepunt en ingeslagen. Het jongste schip is gebouwd rond 991 en voer mogelijk 10 jaar in de Betuwe. Een deel van de planken is verkoold in de beschoeiing verwerkt, dat wil zeggen dat het schip is uitgebrand en mogelijk daardoor is gezonken. De twee schepen laten een technische ontwikkeling zien en tonen aan dat voor transport over locale, binnenlandse waterwegen het gebruik van rivieraken in dit gebied, gangbaar was. Daarnaast zullen er in de Tielse haven ook zeewaardige schepen hebben aangemeerd.


Breeuwen met 'prikjes' en 'sintels'

De scheepsdelen die zijn gebruikt in de beschoeiing hebben elk hun eigen methode van breeuwen. Het schip van de oudste beschoeiing is waterdicht gemaakt door mos tussen de naden van de planken te stoppen. Dit mos is afgedicht met moslatten. Deze latten werden vervaardigd uit over de lengte doorgesneden lange twijgen. Deze latjes werden op hun plaats gehouden met kleine houten wiggetjes, van 2 cm lengte, de zogenaamde 'prikjes'.

prikjes Tussen de huidplanken zitten de prikjes.

Bij het scheepshout van de jongste beschoeiing zijn in plaats van prikjes 'sintels' gebruikt. Sintels zijn gesmeedde ijzeren krammen die speciaal werden vervaardigd om de moslatten, ook wel sintelroedes genoemd, aan de planken van het schip vast te maken. De vorm van de sintel maakt door de eeuwen heen een ontwikkeling door. Die van het Tielse schip behoren tot het vroegste type. De methode van breeuwen met mos, sintelroede en sintelnagels wordt met een vakterm 'gesinteld mosbreeuwsel' genoemd. Deze techniek werd in de Middeleeuwen door heel Noordwest-Europa toegepast.


De 11-de eeuwse en latere bewoning

Hoe na het jaar 1000 n. Chr. de haven zich ontwikkelde is nog niet bekend. De opgravingsput had hiervoor nog iets uitgebreider moeten zijn. Wat wel bekend is, is dat rond in het jaar 1006 n. Chr. de Vikingen de nederzetting Tiel plunderden. Hiervan zijn echter tijdens de opgraving geen sporen teruggevonden.

De havenzone uit de 9de en 10de eeuw krijgt in de vroege 11de eeuw een andere functie. Het open terrein wordt dan bebouwd met houten gebouwen.

resten van 11de eeuwse huizen Een kijkje in een 'steeg' tussen twee 11de-eeuwse huizen. De lemen vloeren zijn de horizontale strepen achter in de wand.

Tijdens het onderzoek zijn de resten van twee houten huizen gevonden. Beide zijn, net zoals de huidige bebouwing, georiŽnteerd op de Westluidensestraat. Een van de gebouwen is minstens 8 m lang en 5,5 m breed geweest. Net zoals op de Koornmarkt is ook hier de indeling van de percelen en de richting van de huizen de afgelopen 1000 jaar nauwelijks veranderd. Aan de hand van de jaarringen in het eikenhout van de palen van een van de gebouwen, kon worden vastgesteld dat deze gebouwd is na 1008 n. Chr. Dit gebouw had een wat gebogen wand, mogelijk behoort het tot een bootvormig-type huis. Het hout van het andere gebouw dateert van rond 1034 n. Chr. Dit gebouw had echter een rechte wand; een deel van de planken wand zat nog tegen de buitenzijde van de palen aan. De vloer in het achtergedeelte van dit gebouw was verstevigd met natuursteen. In beide gebouwen werd midden op de lemen vloer een haardplaats aangetroffen. De lemen vloeren zijn regelmatig aangevuld en vervangen; dit liet zich als een meters dikke Ďspekkoek' in de profielwanden van de opgravingsput zien. De functie van beide gebouwen is niet zeker; het kunnen zowel woonhuizen als werkplaatsen zijn geweest.

Na de 11de eeuw ontwikkelde de oude havenzone van de stad zich tot een volwassen woongebied. Uit de 14de eeuw zijn waterputten aangetroffen, en in de late 15de eeuw werden de tot dan toe houten huizen opgetrokken uit baksteen. De vroegste bakstenen beerput op het terrein dateert uit de 16de eeuw.


This document was kindly provided by the R.O.B.