De vroeg-romeinse versterkte haven van Velsen 1

 

 

Inleiding

Velsen is sinds 1945 een belangrijk element binnen de geschiedschrijving van Romeins Nederland. Zowel de uitzonderlijk vroege datering (althans voor Nederland) en de ligging ten noorden van de (latere) Limes, geven het een status die ver uitgaat boven die van `alleen maar nog een Romeinse militaire basis'. In Nederland is alleen Nijmegen (Noviomagus; fig.1E) wat ouder, terwijl Vechten (Fectio; fig.1 : B) gelijktijdig lijkt.
Tot op heden zijn twee Romeinse militaire installaties ontdekt in de nabijheid van het middeleeuwse dorp Velsen (zie fig.1: A). De bezetting van Velsen 1 (fig.1: 12) dateert in hoofdzaak van 16-28 n.Chr. en van Velsen 2 (fig.1: 13) van ongeveer 40-50 n.Chr. Het hoofdbestanddeel van deze homepage is Velsen 1. Van Velsen 2 zijn slechts schaarse gegevens voorhanden.

In 1978 werd het duidelijk dat Velsen 1 een militaire basis was met twee (hoofd)perioden. In Periode 1 was het fort ruwweg driehoekig van vorm en voorzien van een haven met drie massieve havendammen. In Periode 2, werd het fort trapeziumvormig, met houten steigers van een overwegend open constructie.
 
 
 

Algemene datering van Velsen 1

In 1943, zelfs nog voor de ontdekking van enig Romeins materiaal in the regio, kwam een historicus tot de conclusie dat castellum Flevum in de omgeving van of Velsen gelegen moest hebben, op basis van de landschappelijke beschrijvingen van Tacitus (Annalen 4:72). De gebeurtenissen, zoals beschreven door Tacitus - de opstand van de Friese locale bevolking, resulterend in een veldslag en de (tijdelijke) terugtrekking van de Romeinen uit het gebied - vonden plaats in 28 n.Chr., de veronderstelde einddatum van de daadwerkelijke bezetting van Velsen 1. Dit stemt goed overeen met de datering van de vondsten: 15-30 n.Chr. Het begin van Velsen 1 moet in verband gebracht worden met de veldtochten van Germanicus in onze gebieden in 16 n.Chr.
 
 
 

Topografie

De ligging


De vroeg-Romeinse vindplaats Velsen 1 ligt ongeveer 2 km ten westen van de middeleeuwse dorpskern van Velsen, in de provincie Noord-Holland.

Bij Vechten, in de provincie Utrecht - waar het Romeinse castellum Fectio ooit lag - splitste de Rijn zich in de Oude Rijn en de Vecht. In the Romeinse tijd, was de Vecht de meest westelijke tak de Rijn, die naar het noorden afboog en bij Bergen in de Noordzee stroomde, via het zogenaamde Oer-IJ (zie fig.: 1). Velsen 1 lag aan de zuidoever van het Oer-IJ en was omgeven door een gebied dat bewoond werd door de Friezen.
 

De positie van Velsen 1 en 2 binnen de regio

Er zijn veel inheemse scherven gevonden in Velsen 1 en Velsen 2. Vergelijkend onderzoek tussen het inheemse materiaal uit de Romeinse forten van Velsen en dat uit de Friese nederzettingen uit de omgeving, toont grote overeenkomsten. Romeins importmateriaal uit de tijd van Velsen 1 (ongeveer 15-30 n.Chr.) ontbreekt echter geheel in de Friese nederzettingen, maar wel wordt daar importmateriaal aangetroffen uit de periode van Velsen 2 (40-50 n.Chr.). Geconcludeerd kan worden, dat Velsen 1 en Velsen 2 in een onderling verschillende militaire context gesticht zijn. Velsen 1 moet gezien worden als een totaal geïsoleerde basis, in feite de meest noordwestelijk gelegen basis van het hele Europese continent.

Dat er contacten waren met de locale bevolking, wordt vooral aangetoond door de grote hoeveelheid inheems aardewerk in Velsen 1. Het is echter mogelijk dat deze zich vooral beperkte tot de bewoners van de `Roman' kant van het Oer-IJ, en dus ook met die van de duinen langs de zeekust.

Dat de gevoelens tussen Romeinen en de locale bevolking niet altijd vriendschappelijk waren, toont de hierboven vermelde opstand van de Friezen van 28 n.Chr. en het tijdelijk opgeven van de regio rond Velsen door de Romein, die daarmee in verband gebracht kan worden.

Dat lag anders bij Velsen 2, wat gelijktijdig gesticht moet zijn met Valkenburg 1 in ongeveer 40 n.Chr. Samen met Valkenburg en Vechten, vormde Velsen 2 onderdeel van een strategisch sterke `driehoek’. De Romeinse vondsten uit de omgeving, wijzen op een wat nauwer contact met de locale bevolking, hoewel het aantal vondsten gering is.

De schaarse vondsten uit Velsen 2, die tot de periode 50/55 n.Chr., lijken aan te tonen, dat Velsen zelfs nog strategisch belang geacht werd na de definitieve instelling van de Rijnlimes door Claudius.
 
 
 

Geschiedenis van het onderzoek

De eerste Romeinse vondsten die gedaan werden, stammen uit 1945. Ze lagen in de uitgeworpen grond van een Duitse anti-tankgracht uit de Tweede Wereldoorlog, bij wat later Velsen 2 genoemd werd (vanaf de ontdekking in 1972 van Velsen 1 door leden van de Velsense afdeling van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland [de AWN]). Een datering van de vindplaats van 40-50 n.Chr. was te herleiden uit deze vondsten en uit vondsten van latere activiteiten. De schaarse grondsporen van of Velsen 2 rijen ingeramde palen en afzettingen van het voormalige Oer-IJ lijken, in combinatie met het karakter van de vondsten en een vergelijking met Velsen 1, te wijzen op de aanwezigheid van kaden en/of steigers, waarschijnlijk ook in samenhang met een versterkte basis.

Van 1973 tot 1991 vonden jaarlijks uitgebreide opgravingen plaats, met uitzondering van 1983-1984. Dankzij de nauwe samenwerking tussen de leden van de AWN en het Instituut voor Prae- en Protohistorie (IPP) van de Universiteit van Amsterdam (UvA), kon een gebied van meer dan 6 ha geheel vrijgelegd worden.

Het grootste probleem bij de opgravingen vormde de sterke erosie, die meer dan 2 m van het oorspronkelijke Romeinse oppervlak verwijderd heeft. Daardoor zijn alleen de diepste grondsporen bewaard gebleven. Een kleine troost vormde echter het feit dat het gebied na de Romeinse tijd niet meer bewoond is geweest.
 
 
 

Het fort

Periode 1


In Periode 1a, werd het eerste fort - in feite een soort tijdelijk `constructiekamp' - gebouwd op de zompige zuidoever van het Oer-IJ. In deze periode (periode 1a), was de vorm min of meer driehoekig (zie fig. 2). De verdediging bestond aan de landzijde hoofdzakelijk uit een aarden wal met een eenvoudige verdedigingsgracht daarvoor (fig. 2): wal en spitsgracht). Het oostelijke deel van de door de wal omsloten oever, werd verdedigd door een houten schutting, waarin centraal een eenvoudige houten (haven)poort geplaatst was (fig. 2): poort). Dit `fort' had nog geen havenwerken, schepen werden eventueel op het onverdedigde westdeel van de oever getrokken.
Kort daarop echter, in een overgangsperiode tussen periode 1a and 1b (Periode 1a/1b), werd de houten oeverschutting voorzien van een extra, wat forsere havenpoort (fig. 2): in rood aangegeven). Deze gaf toegang tot een korte open steiger (fig. 2): kleine steiger), waaraan grote schepen konden afmeren, bijvoorbeeld voor de ontscheping van bouwmateriaal voor de volgende periode. Daardoor hoefden schepen niet meer op de oever getrokken te worden.

Periode 1a wordt gedateerd op 16 n.Chr.
 

In Periode 1b, werd een meer permanent fort gebouwd van vergelijkbare vorm (fig.3) dat het `constructiekamp' verving, waarbij vrijwel exact de loop van de voorgaande verdedigingswerken gevolgd werd (fig.3: verloop verdediging per. 1a, in rood weergegeven). De aarden wal werd nu vervangen door een zogenaamde hout-aardemuur, die bestond uit twee parallel geplaatste houten schuttingen, Deze waren in een funderingsgreppel geplaatst, met zware en dieper geplaatste staanders op een onderlinge tussenafstand van 1.3 m (fig.3: hout-aardemuur). The 3 m brede ruimte tussen de schuttingen, werd opgevuld met grond uit de voorliggende gracht. De hout-aardemuur was verder voorzien van eenvoudige houten torens (fig.3: toren) en waarschijnlijk een (of meer) eenvoudige poorten, waarvan de plattegrond niet afweek van die van de torens.
Ook de oostelijke oeverzone werd voorzien van een, iets smallere, hout-aardemuur. De havenpoort werd gehandhaafd. In deze periode, werden uitgebreide havenwerken aangelegd, bestaande uit drie havendammen of pieren (fig.3: westpier, noordpier en oostpier) en een enkelvoudig scheepshuis (fig.3: scheepshuis).

Periode 1b wordt gedateerd op 16-22 n.Chr.
 

Al na enkele jaren, maakte erosie door de rivierstroming (zie fig.12 hieronder) aanpassingen noodzakelijk aan de havenwerken in Periode 1c (zie fig.4). Ook moest het gedeeltelijk verspoelde scheepshuis vervangen worden, door een vergelijkbaar en vrijwel even groot gebouw. Het fort zelf lijkt in deze periode niet veranderd te zijn, met uitzondering misschien van kleine aanpassingen of reparaties, bijvoorbeeld aan het noordwestelijke uiteinde van de verdediging. Daar was een deel van de verdedigingsgracht uit periode 1b `verbreed' door de bovenvermelde uitslijping en voorzien van een beschoeiing, zodat daar een ruime insteekhaven ontstond (fig.4: insteekhaven).

Periode 1c wordt gedateerd op ongeveer 22-25 n.Chr.
 
 
 

Periode 2

Het fort uit periode 1b/c werd mogelijk enige (korte) tijd verlaten. In Periode 2 werd vervolgens ook eerst een `constructiekamp' gebouwd (dat Periode 2a genoemd wordt; zie fig.5), De verdediging was deze keer ovaal van vorm en bestond opnieuw een aarden wal, met daarvoor een enkele verdedigingsgracht. De verdediging omsloot alleen de havenwerken van de voorgaande periode, met uitzondering van het scheepshuis. Deze verdediging maakte voor de (oostelijke) oeverzone waarschijnlijk nog gebruik van de ` oude’ hout-aardemuur (fig.5: oevermuur per. 1b).

Periode 2a wordt gedateerd op ongeveer 25 n.Chr.
 

In Periode 2b, kreeg het fort zijn uiteindelijke trapeziumvorm (zie fig.6). In het oosten, volgde de verdediging die uit Periode 2a, maar naar het westen vond en uitleg plaats tot het verloop van de hout-aardemuur uit periode 1b/c. De nieuwe verdediging bestond uit een aarden wal met houten torens en (minstens) een dubbele poort (fig.6: poort). De verdediging werd nu omgeven door drie verdedigingsgrachten, die op korte afstand van de insteekhaven uit periode 1c stopten.
De gehele oeverzone was in deze periode vrij van verdedigingswerken. In de haven vervingen open steigers nu voor het grootste deel de dammen uit periode 1, met een extra steiger ten oosten van de verdediging (fig.6: vierde steiger). Deze nieuwe pier, buiten de verdediging gelegen, werd gecontroleerd door een stevig gebouwd platform, dat toegevoegd was aan het oosteinde van de verdedigingswal (fig.6: verdedigings-platform).
Ten westen (en mogelijk ook ten zuiden en oosten) van het fort, werd een nieuwe verdedigingsgracht gegraven, zodat een groter werkgebied ontstond, bijvoorbeeld voor scheepsreparaties, `vervuilende' activiteiten en dergelijke. Het omvatte ook de zogenaamde vierde steiger en een nieuw, dit keer dubbel, scheepshuis, omdat het scheepshuis uit periode 1c, ook als het nog bruikbaar was, de doorgang door de nieuwe poort belemmerde.
Een bijzonder interessante constructie, was een zeer grote waterput van 3 x 3 m. Vanuit deze put, werd met behulp van een houten aquaduct vers, schoon drinkwater naar schepen in de insteekhaven. Dit kan onlogisch lijken, maar de activiteiten van de Romeinen moeten het water in de haven vervuild hebben. Water uit de rivier zelf (mogelijk ook enigszins brak) kon niet meer als drinkwater gebruikt worden.

Periode 2b wordt gedateerd op ongeveer 25-28 n.Chr.
 

Aan het einde van periode 2b, in 28 n.Chr., werd het fort aangevallen door de Friezen, zoals vermeld door Tacitus (zie boven Algemene datering van Velsen 1). Het is waarschijnlijk, dat het fort zelf niet door de aanvallers is ingenomen, maar dat het verdedigde werkgebied buiten het fort overrompeld werd, wat blijkt uit de verspreiding van loden slingerkogels. Ook als het fort zelf niet verwoest werd, leverde het `verlies' van het werkgebied problemen op. Daar lagen het dubbele scheepshuis en de belangrijkste waterput.
Het is inmiddels duidelijk, dat de Romeinen Velsen 1 niet direct verlaten hebben, maar ze moesten een oplossing vinden voor de problemen met de zwakke verdediging van het werkgebied. Dit gebeurde door ze te vervangen door een verdediging die vergelijkbaar was met die van het hoofdfort (zie fig.7) en daarmee ook verbonden was. De verdediging bestond uit een aarden wal, maar nu omgeven door slechts twee, vrij diepe, grachten. De wal werd voorzien van `normale' torens (wijder uit elkaar geplaatst dan die van de verdediging uit periode 2b) en twee smalle poorten, een in het oosten - vlak bij de verdediging van het fort - en een in het westen. Dendrochronologische datering van palen van een van de `nieuwe' torens wijzen op een bouwdatum kort na 28 n.Chr.
Hoe lang de bezetting van Velsen 1 nog doorging, is onduidelijk. Velsen lijkt wel enige tijd verlaten te zijn geweest. Velsen 2 (boven vermeld), op 1 km naar het westen, werd rond 40 n.Chr. aangelegd, Het is mogelijk dat de Romeinen eerst weer Velsen 1 (her)bezet hebben als een tijdelijke basis, van waaruit Velsen 2 aangelegd werd.
 
 
 

Havenwerken

In Periode 1b, bestonden de havenwerken uit een platform dat in de rivier uitstak en centraal in de verdedigde rivieroever geplaatst was (zie ook fig.3). Vanuit het platform staken twee dammen of pieren verder in de rivier uit, die als het ware een `buitenhaven' begrensden. Een derde pier, die toegankelijk was via de havenpoort in de hout-aardemuur langs de oever, werd ten oosten van het platform aangelegd. Tezamen met de centraal oostelijke platformpier, omsloot deze een kleine `binnenhaven'. De pieren bestonden uit `compartimenten' of kofferdammen, met beschoeiingen van rijen dicht opeengezette palen en gescheiden door dwarse palenrijen. De kofferdammen hadden een vulling (zie fig.8) met lagen wilgentwijgen (fig.10), die gescheiden werden door, tussen strolagen (fig.9) gevatte, kleipakketten. Alleen aan het diepstekende uiteinde van de westpier was deze piervulling nog over enkele meters bewaard gebleven (fig.11).
 
 

Het is mogelijk, dat langs de meest oostelijke pier, die beschermd werd door de hout-aardemuur langs de oostelijke oeverzone, niet-Romeinse (Friese?) schepen konden ontladen en dat het centrale platform met zijn pieren, alsmede de onverdedigde westelijke oeverzone - die toegang gaf tot het scheepshuis - alleen voor Romeinse schepen toegankelijk was.
 

In Periode 1c werd de haven aangepast. Dit was noodzakelijk geworden door uitslijping aan de westzijde van het platform (zie fig.12, aangegeven in blauw) en aanslibbing tussen de platformpieren en ten oosten van het platform (fig.12, aangegeven in geel). Het is duidelijk, dat de pieren bijgedragen moeten hebben aan een gedeeltelijke stagnering van de stroming in het Oer-IJ. Langs de westelijke oeverzone werd een beschoeiing aangelegd, om daar verdere uislijping of afkalving te voorkomen. De kades van het platform werden naar buiten gelegd, omdat daar depositie van rivierafzettingen had plaatsgevonden, en de westelijke pier werd versterkt door de aanleg van extra beschoeiingen. Een korte, open steiger verving het gebogen uiteinde van de centrale pier (fig.12, aangegeven in rood). Deze open constructies verbeterden de doorstroming van het Oer-IJ enigszins, in een poging om verdere aanslibbing te voorkomen.
 
 

In Periode 2b, werd het aanzien van de haven veranderd, omdat de aanpassingen aan de havenwerken uit periode 1c onvoldoende bleken te zijn (zie fig.6). Open steigers, bestaande uit drie rijen zware palen (zie fig.13 en fig.14), vervingen grotendeels de dichte pieren. Een steiger werd toegevoegd aan de westelijke pier, dwars daarop en parallel aan de oever, waardoor de `binnenhaven' omsloten werd. De centrale pier, met inbegrip van de toegevoegde kleine steiger, werd geheel vervangen door een lange, open steiger, terwijl de oostelijke steiger verder de rivier in uitgelegd werd. Omdat in deze periode de oeverzone geheel onverdedigd was, werd het fort vanaf het water makkelijker toegankelijk voor een eventuele aanval vanaf het water. Om aan deze zwakte iets te doen, werd een nieuwe steiger buiten en ten oosten van de verdediging van het fort gebouwd, die gebruikt kon worden door niet-Romeinse schepen, zoals het geval was bij de (verdedigbare) oostelijke pier uit periode 1.
 
 
 

Romeinse scheepshuizen

Resten van scheepshuizen waren tot voor kort alleen bekend uit het Middellandse Zeegebied en dan nog alleen beperkt tot de Griekse en Hellenistische tijd. Het waren zorgvuldig gebouwde constructies, bestaande uit aflopende scheepshellingen, gescheiden door zuilen of pilaren en voorzien van stenen gewelven, of een houten dakgebint met pannen. Hoewel geen Romeinse scheepshuizen bekend waren, moeten ze bestaan hebben, gezien afbeeldingen uit de Romeinse tijd op munten (fig.15), fresco's (fig.16) en mozaïeken (fig.17). Klik hier voor meer informatie.
 

Sinds het midden van de jaren tachtig uit de vorige eeuw, zijn scheepshuizen bekend uit Haltern-Hofestatt in Duitsland en uit Velsen 1. The grootste is die van Haltern, met een afmeting van 56 x 32 m, bestaande uit acht sleephellingen (zie fig.18, onderaan). Deze sleephellingen, ongeveer 6 m breed, konden galleien bevatten van meer dan 30 m lang.
In Periode 1b, werd het eerste scheepshuis gebouwd in het westdeel van het fort, kort op de oever (fig.18, bovenaan). De afmetingen, 6.1 x 22.1 m, wijzen op het stallen van een kleine gallei. Omdat het zo kort op de oever lag, werd het (deels) overspoeld door de bovenvermelde afkalving van de westelijke oeverzone.

In Periode 1c, werd het scheepshuis ongeveer 30 m naar het zuiden herbouwd. De vorm en de afmetingen, 6.4 x 20.5 m, waren vergelijkbaar met die van het eerste scheepshuis (fig.18, tweede van boven).

In Periode 2b, werd een compleet nieuw scheepshuis gebouwd (fig.18, derde van boven), ditmaal een dubbel en met een afmeting van 29.7 x 12.2 m.
 
 

Deze tekst is gedeeltelijk gebaseerd op J.-M.A.W.Morel, De vroeg-Romeinse versterking te Velsen 1. Fort en haven (diss.), Amsterdam 1988. en J.-M.A.W.Morel, The early roman harbours. Velsen, in: R.W.Brandt, W.Groenman-van Waateringe & S.E.van der Leeuw (eds.), Assendelver Polder Papers 1, Amsterdam 1987, pags. 169-175.